1
zelfstandig naamwoord[U]
Gevoel van voldoening of plezier door eigen prestaties, kwaliteiten of die van iemand of iets waarmee men nauw verbonden is.
or-gú-llo
Uitspraak
Etymologie
From Old Spanish orgullo, probably ultimately from a Germanic source, often linked to a Frankish form meaning “distinction” or “pride.”
Voorbeelden
Siente orgullo por sus hijos.
sién-te or-gú-llo por sus hí-jos
Ze is trots op haar kinderen.
El equipo celebró la victoria con orgullo.
el e-quí-po ce-le-bró la vic-tó-ria con or-gú-llo
Het team vierde de overwinning met trots.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd