1
zelfstandig naamwoord[C]
Een huishoudelijk of commercieel apparaat dat voedsel en dranken koel houdt; een koelkast.
refrigeradór
Uitspraak
Etymologie
Van Spaans refrigerar (“koelen, koelen in een koelkast”) + -dor, uiteindelijk uit Latijn refrigerare (“koelen”).
Voorbeelden
El refrigerador está lleno de comida.
El refrigeradór está lléno de comída.
De koelkast staat vol eten.
Compramos un refrigerador nuevo para la cocina.
Comprámos un refrigeradór nuévo para la cocína.
We hebben een nieuwe koelkast voor de keuken gekocht.
Guarda la leche en el refrigerador.
Guárda la léche en el refrigeradór.
Zet de melk in de koelkast.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd