1
zelfstandig naamwoordtelbaar en ontelbaar [C, U]
Een saus of dressing die bij eten wordt geserveerd, vooral een die gemaakt is van tomaten, chilipepers, kruiden of andere ingrediënten.
sálsa
Uitspraak
Etymologie
Uit het Latijn salsa, vrouwelijk van salsus, met de betekenis ‘gezouten’.
Voorbeelden
Añade salsa de tomate a la pasta.
Áñade sálsa de tomáte a la pásta.
Voeg tomatensaus toe aan de pasta.
Esta salsa pica mucho.
Ésta sálsa píca múcho.
Deze saus is erg pittig.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd