1
bijvoeglijk naamwoordBijvoeglijk naamwoord; verbuigt naar geslacht en getal: satisfecho, satisfecha, satisfechos, satisfechas.
Tevreden, blij of content omdat iemands verwachtingen, wensen of behoeften zijn vervuld.
satisfécho
Uitspraak
Etymologie
Van het Spaanse satisfacer, uiteindelijk uit het Latijn satisfacere, ‘tevredenstellen’, met de voltooid-deelwoordvorm beïnvloed door het Latijn satisfactus.
Voorbeelden
Estoy satisfecho con el resultado.
Éstoy satisfécho con el resultádo.
Ik ben tevreden met het resultaat.
Se mostró satisfecho con la explicación.
Se mostró satisfécho con la explicación.
Hij leek tevreden met de uitleg.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd