1
zelfstandig naamwoord[C]
Een apparaat of systeem dat wordt gebruikt om spraakcommunicatie over een afstand te verzenden en te ontvangen.
teléfono
Uitspraak
Etymologie
From French téléphone, formed from Greek elements meaning “far” and “voice/sound.”
Voorbeelden
Mi teléfono no tiene batería.
Mi teléfono no tiene batería.
Mijn telefoon heeft geen batterij.
El teléfono sonó durante la reunión.
El teléfono sonó durante la reunión.
De telefoon ging tijdens de vergadering over.
Te llamaré por teléfono esta noche.
Te llamaré por teléfono esta noche.
Ik bel je vanavond op.
Collocaties
AI-gegenereerd