1
werkwoord[T, I; pronominal: tostarse]
Voedsel door middel van droge hitte roosteren, toasten of bruin bakken.
tostár
Uitspraak
Etymologie
Van het Latijnse tostāre, van tostus, het voltooid deelwoord van torrēre, dat ‘drogen, verschroeien, roosteren’ betekent.
Voorbeelden
Voy a tostar el pan para el desayuno.
Vóy a tostár el pán pára el desayúno.
Ik ga het brood roosteren voor het ontbijt.
Tuesta las almendras en una sartén.
Tuésta las alméndras en úna sartén.
Rooster de amandelen in een koekenpan.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd