1
zelfstandig naamwoord[U]
Een toestand of gevoel van verdriet, droefheid of ongelukkig zijn.
tristéza
Uitspraak
Etymologie
Van het Latijnse tristitia, van tristis, dat ‘verdrietig’ betekent.
Voorbeelden
La tristeza le impedía concentrarse.
La tristéza le impedía concentrárse.
Verdriet verhinderde hem zich te concentreren.
Sentía una tristeza profunda después de la despedida.
Sentía una tristéza profúnda después de la despedída.
Ze voelde een diepe droefheid na het afscheid.
Collocaties
AI-gegenereerd