1
zelfstandig naamwoord[C]
Een privéleraar of studiebegeleider die individuele of lessen in kleine groepjes geeft en begeleiding biedt.
tutór
Uitspraak
Etymologie
Van het Latijnse tutor, ‘beschermer, voogd’, van tueri, ‘bewaken, beschermen’.
Voorbeelden
El tutor explicó la lección con paciencia.
Él tutór explicó la lección con paciéncia.
De tutor legde de les geduldig uit.
Necesito un tutor de matemáticas para preparar el examen.
Necesíto un tutór de matemáticas para preparár el exámen.
Ik heb een wiskundetutor nodig om me voor te bereiden op het examen.
Collocaties
AI-gegenereerd