1
werkwoord[T]
Iets gebruiken, aanwenden of benutten voor een bepaald doel.
usár
Uitspraak
Etymologie
Uit het Latijn ūsāre, frequentatief van ūtī, met de betekenis ‘gebruiken’.
Voorbeelden
Voy a usar el ordenador para trabajar.
Vóy a usár el ordenadór para trabajár.
Ik ga de computer gebruiken om te werken.
Debes usar casco en la obra.
Débes usár cásco en la óbra.
Je moet een helm dragen op de bouwplaats.
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd