1
zelfstandig naamwoord[C]
Echtgenote; een getrouwde vrouw in verhouding tot haar echtgenoot.
/e.puz/
Uitspraak
Etymologie
From Old French espouse, from Latin sponsa, meaning “betrothed woman, bride, wife.”
Voorbeelden
Son épouse travaille à Lyon.
/sɔ̃ ne.puz tʁa.vaj a ljɔ̃/
Zijn echtgenote werkt in Lyon.
Il est venu avec son épouse.
/il ɛ və.ny a.vɛk sɔ̃ ne.puz/
Hij kwam met zijn echtgenote.
Collocaties
AI-gegenereerd