1
zelfstandig naamwoord[C]
Ei: het ovale of ronde voortplantingslichaam dat door een vogel, reptiel, vis of sommige andere dieren wordt gelegd en dat een embryo en voedingsstoffen bevat.
/œf/
Uitspraak
Etymologie
From Old French oef, from Latin ovum, meaning “egg.”
Voorbeelden
La poule a pondu un œuf ce matin.
/la pul a pɔ̃dy œ̃n œf sə matɛ̃/
De kip heeft vanochtend een ei gelegd.
Un œuf d'autruche est beaucoup plus gros qu'un œuf de poule.
/œ̃n œf dotʁyʃ ɛ boku ply ɡʁo kœ̃n œf də pul/
Een struisvogelei is veel groter dan een kippenei.
Collocaties
AI-gegenereerd