1
zelfstandig naamwoord[C]
Banaan: een lange, gebogen, gele tropische vrucht met zacht, zoet vruchtvlees.
/ba.nan/
Uitspraak
Etymologie
Borrowed into French through Portuguese or Spanish banana, probably from a West African language such as Wolof.
Voorbeelden
Je mange une banane au petit déjeuner.
/ʒə mɑ̃ʒ yn ba.nan o pə.ti de.ʒœ.ne/
Ik eet een banaan als ontbijt.
Les bananes mûres sont très sucrées.
/le ba.nan myʁ sɔ̃ tʁɛ sy.kʁe/
Rijpe bananen zijn erg zoet.
Collocaties
AI-gegenereerd