1
zelfstandig naamwoord[C]
De vader van iemands echtgenoot; schoonvader.
/bo pɛʁ/
Uitspraak
Etymologie
From French beau, used in kinship terms to denote relation by marriage or affinity, + père “father.”
Voorbeelden
J'ai invité mon beau-père à dîner.
/ʒe ɛ̃vite mɔ̃ bo pɛʁ a dine/
Ik heb mijn schoonvader uitgenodigd voor het avondeten.
Elle s'entend bien avec son beau-père.
/ɛl sɑ̃tɑ̃ bjɛ̃ avɛk sɔ̃ bo pɛʁ/
Ze kan goed opschieten met haar schoonvader.
Collocaties
AI-gegenereerd