1
werkwoord[T, I]
drinken; een vloeistof in de mond nemen en doorslikken
/bwaʁ/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudfranse boire, van het Latijnse bibere, dat “drinken” betekent.
Voorbeelden
Il faut boire beaucoup d'eau en été.
/il fo bwaʁ bo.ku do ɑ̃n‿e.te/
Je moet in de zomer veel water drinken.
Je bois un café le matin.
/ʒə bwa œ̃ ka.fe lə ma.tɛ̃/
Ik drink ’s ochtends een koffie.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd