1
werkwoord[T, I]
Voedsel garen door warmte toe te passen; gaar worden.
/kɥiʁ/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudfranse cuire, van het Latijnse coquere, dat ‘koken’ betekent.
Voorbeelden
Il faut cuire les légumes à la vapeur.
/il fo kɥiʁ le leɡym a la vapœʁ/
De groenten moeten gestoomd worden.
Le riz doit cuire pendant vingt minutes.
/lə ʁi dwa kɥiʁ pɑ̃dɑ̃ vɛ̃ minyt/
De rijst moet twintig minuten koken.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd