1
zelfstandig naamwoordtelbaar [C]
Een familie; een groep mensen die door bloedverwantschap, huwelijk, adoptie of nauwe verwantschap met elkaar verbonden zijn.
/fa.mij/
Uitspraak
Etymologie
Van Oudfrans famille, van Latijn familia, met de betekenis de leden van een huishouden, bedienden of familie.
Voorbeelden
Ma famille habite à Lyon.
/ma fa.mij a.bit a ljɔ̃/
Mijn familie woont in Lyon.
Toute la famille sera réunie dimanche.
/tut la fa.mij sə.ʁa ʁe.y.ni di.mɑ̃ʃ/
De hele familie zal zondag samen zijn.
Collocaties
AI-gegenereerd