1
werkwoord[T]
Voedsel in kleine stukjes hakken of fijnhakken.
/aʃe/
Uitspraak
Etymologie
Van het Oudfranse hachier, van hache, ‘bijl’, uiteindelijk van Germaanse oorsprong.
Voorbeelden
Il faut hacher les oignons finement.
/il fo aʃe lez ɔɲɔ̃ finmɑ̃/
Je moet de uien fijn hakken.
Elle a haché la viande pour les boulettes.
/ɛl a aʃe la vjɑ̃d puʁ le bulɛt/
Ze heeft het vlees voor de gehaktballen fijngehakt.
Collocaties
AI-gegenereerd