1
zelfstandig naamwoord[U; v.]
Een pijnlijk gevoel van schaamte, vernedering of gêne, veroorzaakt door het besef iets verkeerds of onwaardigs te hebben gedaan.
/ɔ̃t/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudfrans honte, waarschijnlijk van Frankische oorsprong, verwant aan een Germaanse wortel met de betekenis “schaamte” of “schande”.
Voorbeelden
Elle a eu honte de son mensonge.
/ɛl a y ɔ̃t də sɔ̃ mɑ̃.sɔ̃ʒ/
Ze schaamde zich voor haar leugen.
Il rougit de honte.
/il ʁu.ʒi də ɔ̃t/
Hij werd rood van schaamte.
Collocaties
AI-gegenereerd