1
werkwoord[T]
Iets missen, niet weten te vangen, bijwonen of ervan profiteren.
/mɑ̃.ke/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudfranse manquer, waarschijnlijk via het Italiaanse mancare, uit het vulgair Latijn *mancare, verwant aan het Latijnse mancus, dat ‘gebrekkig, tekortschietend’ betekent.
Voorbeelden
Il ne faut pas manquer le train.
/il nə fo pa mɑ̃.ke lə tʁɛ̃/
We mogen de trein niet missen.
J'ai manqué la réunion hier.
/ʒe mɑ̃.ke la ʁe.y.njɔ̃ jɛʁ/
Ik heb de vergadering gisteren gemist.
Collocaties
AI-gegenereerd