1
zelfstandig naamwoord[C]
De broer van iemands vader of moeder; de echtgenoot van iemands tante.
/ɔ̃kl/
Uitspraak
Etymologie
Van Oudfrans oncle, uit Latijn avunculus, oorspronkelijk met de betekenis ‘oom van moederszijde’.
Voorbeelden
Mon oncle habite à Lyon.
/mɔ̃ nɔ̃kl a.bit a ljɔ̃/
Mijn oom woont in Lyon.
Elle rend visite à son oncle chaque été.
/ɛl ʁɑ̃ vi.zit a sɔ̃ nɔ̃kl ʃak e.te/
Ze brengt elke zomer een bezoek aan haar oom.
Son oncle maternel est médecin.
/sɔ̃ nɔ̃kl ma.tɛʁ.nɛl ɛ med.sɛ̃/
Zijn oom van moederskant is arts.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
mon oncle
oncle maternel
oncle paternel
grand-oncle
AI-gegenereerd