1
zelfstandig naamwoord[C]
Een persoon die in de buurt van of naast een andere persoon woont; een buurman of buurvrouw.
/vwazɛ̃/
Uitspraak
Etymologie
Uit het Oudfrans voisin, van het Latijn vicinus, wat “nabij, buur-” betekent, van vicus, wat “dorp, wijk” betekent.
Voorbeelden
Mon voisin est très sympathique.
/mɔ̃ vwazɛ̃ ɛ tʁɛ sɛ̃patik/
Mijn buur is erg vriendelijk.
Elle a demandé du sel à son voisin.
/ɛl a dəmɑ̃de dy sɛl a sɔ̃ vwazɛ̃/
Ze vroeg haar buur om wat zout.
Collocaties
AI-gegenereerd