1
voorzetsel'Tá X ag Y' = 'Y heeft X'; in het Iers is er geen apart werkwoord voor 'hebben'.
Voorzetsel dat bezit uitdrukt of samen met een werkwoord de voortdurende tegenwoordige tijd vormt.
/ɛɟ/
Voorbeelden
Tá carr ag Seán.
Seán heeft een auto.
Tá mé ag ithe.
Ik ben aan het eten.
AI-gegenereerd