1
voorzetselMarkeert richting/bestemming, plaats, tijd en het lijdend voorwerp van een werkwoord.
Een voorzetsel dat richting/bestemming, plaats en tijd aanduidt; geeft ook het lijdend voorwerp van een werkwoord aan.
/i/
Voorbeelden
Ua hele au i Honolulu.
Ik ging naar Honolulu.
Ke ʻai nei ʻo ia i ka poi.
Hij/zij eet de poi.
AI-gegenereerd