1
werkwoord‘Hij/zij werkt’ (ᐃᖅᑲᓇᐃᔭᖅ-).
Iemand die werk heeft en betaald wordt.
/iqqanaiˈjaqpuq/
Uitspraak
Voorbeelden
ᐊᓈᓇᒐ ᐃᖅᑲᓇᐃᔭᖅᐳᖅ.
Mijn moeder is aan het werk.
ᐅᓪᓗᒥ ᐃᖅᑲᓇᐃᔭᖅᐳᖓ.
Vandaag ben ik aan het werk.
AI-gegenereerd
Laden...
/iqqanaiˈjaqpuq/
werken
1
werkwoord‘Hij/zij werkt’ (ᐃᖅᑲᓇᐃᔭᖅ-).
Iemand die werk heeft en betaald wordt.
/iqqanaiˈjaqpuq/
Uitspraak
Voorbeelden
ᐊᓈᓇᒐ ᐃᖅᑲᓇᐃᔭᖅᐳᖅ.
Mijn moeder is aan het werk.
ᐅᓪᓗᒥ ᐃᖅᑲᓇᐃᔭᖅᐳᖓ.
Vandaag ben ik aan het werk.
AI-gegenereerd