1
zelfstandig naamwoord[C]
seizoen; een van de belangrijkste indelingen van het jaar, gekenmerkt door typisch weer, klimaat of natuurlijke omstandigheden.
kisetsu
Uitspraak
Etymologie
Sino-Japanese compound from 季, meaning “season,” and 節, meaning “period” or “juncture.”
Voorbeelden
春は新しい季節の始まりです。
haru wa atarashii kisetsu no hajimari desu
De lente is het begin van een nieuw seizoen.
この季節は雨が多い。
kono kisetsu wa ame ga ooi
In dit seizoen valt veel regen.
Tekenanalyse
季
ki
season
節
setsu
period; occasion; section
Collocaties
AI-gegenereerd