1
zelfstandig naamwoord[C]
een tand; een van de harde witte structuren in de mond, gebruikt om te bijten en kauwen
ha
Uitspraak
Etymologie
Native Japanese word, from Old Japanese; also used as the kun-reading of the kanji 歯.
Voorbeelden
歯が痛いです。
ha ga itai desu.
Mijn tand doet pijn.
毎朝、歯を磨きます。
maiasa, ha o migakimasu.
Ik poets elke ochtend mijn tanden.
子どもの歯が抜けた。
kodomo no ha ga nuketa.
Het tandje van het kind viel uit.
Tekenanalyse
歯
ha
tooth
Collocaties
AI-gegenereerd