1
zelfstandig naamwoordKrama: 'pisang'.
gele, zoete vrucht die gewoonlijk gegeten wordt; banaan.
/ɡəˈɖaŋ/
Voorbeelden
Aku seneng mangan gedhang goréng.
Ik eet graag gebakken banaan.
Ing kebon akèh wit gedhang.
Er staan veel bananenbomen in de tuin.
AI-gegenereerd