1
zelfstandig naamwoord[C]
Het oor; het orgaan van het gehoor, vooral het zichtbare uitwendige oor, of het vermogen om te horen.
gwi
Uitspraak
Etymologie
Native Korean; attested in Middle Korean as 귀.
Voorbeelden
귀가 아파요.
gwi-ga a-pa-yo
Mijn oor doet pijn.
아이의 귀에 속삭였다.
a-i-ui gwi-e sok-sa-gyeot-da
Ik fluisterde in het oor van het kind.
그는 귀가 밝아서 작은 소리도 잘 듣는다.
geu-neun gwi-ga bal-ga-seo ja-geun so-ri-do jal deun-neun-da
Hij heeft een scherp gehoor en hoort zelfs kleine geluiden goed.
Tekenanalyse
귀
gwi
ear; hearing
Collocaties
AI-gegenereerd