1
zelfstandig naamwoord[C, U]
Een lange, gebogen tropische vrucht met een dikke gele schil en zacht, zoet vruchtvlees.
banana
Uitspraak
Etymologie
A loanword from English “banana.”
Voorbeelden
나는 아침에 바나나를 먹었다.
naneun achime bananareul meogeotda
Ik heb ’s ochtends een banaan gegeten.
이 스무디에는 바나나가 들어간다.
i seumudieneun bananaga deureoganda
Deze smoothie bevat banaan.
Tekenanalyse
바
ba
syllable in the loanword; no independent lexical meaning here
나
na
syllable in the loanword; no independent lexical meaning here
나
na
syllable in the loanword; no independent lexical meaning here
Collocaties
AI-gegenereerd