1
zelfstandig naamwoord[C]
Een jasje; een kort bovenkledingstuk voor het bovenlichaam, meestal met mouwen en een opening aan de voorkant.
jaekit
Uitspraak
Etymologie
Borrowed from English “jacket.”
Voorbeelden
날씨가 쌀쌀해서 재킷을 입었다.
nalssiga ssalssalhaeseo jaekiseul ibeotda
Het was fris, dus ik trok een jasje aan.
그는 검은색 재킷을 걸치고 나갔다.
geuneun geomeunsaek jaekiseul geolchigo nagatda
Hij ging naar buiten met een zwarte jas aan.
이 재킷은 청바지와 잘 어울린다.
i jaekiseun cheongbajiwa jal eoullinda
Dit jasje past goed bij een spijkerbroek.
Tekenanalyse
재
jae
syllable used to represent the sound “jae” in the loanword
킷
kit
syllable used to represent the final sound of “jacket” in the loanword
Collocaties
재킷을 입다
재킷을 벗다
가죽 재킷
정장 재킷
청 재킷
AI-gegenereerd