1
zelfstandig naamwoord[C]
Een tand; gezamenlijk de tanden in de mond.
chia
Uitspraak
Etymologie
Sino-Korean from 齒牙, with 齒 meaning “tooth” and 牙 meaning “tooth” or “fang.”
Voorbeelden
치아를 깨끗하게 닦으세요.
chiareul kkaekkeutage dakkeuseyo
Poets je tanden goed.
단 음식을 많이 먹으면 치아가 상할 수 있다.
dan eumsigeul mani meogeumyeon chiaga sanghal su itda
Als je veel zoetigheid eet, kunnen je tanden beschadigd raken.
정기적인 검진은 치아 건강에 중요하다.
jeonggijeogin geomjineun chia geongange jungyohada
Regelmatige controles zijn belangrijk voor de tandgezondheid.
Tekenanalyse
齒
chi
tooth
牙
a
tooth; fang
Collocaties
치아 건강
치아 관리
치아 미백
치아 교정
치아 손상
AI-gegenereerd