1
zelfstandig naamwoord[C]
Een kaartje; een gedrukt of elektronisch document dat de houder het recht geeft een plaats te betreden, een evenement bij te wonen of vervoer te gebruiken.
tiket
Uitspraak
Etymologie
Borrowed from English “ticket.”
Voorbeelden
영화 티켓을 두 장 샀어요.
yeonghwa tigeseul du jang sasseoyo
Ik heb twee bioscoopkaartjes gekocht.
기차 티켓은 미리 예매해야 합니다.
gicha tigeseun miri yemaehaeya hamnida
Treinkaartjes moet je van tevoren boeken.
Tekenanalyse
티
ti
syllable ti; no independent meaning
켓
ket
syllable ket; no independent meaning
Collocaties
AI-gegenereerd