1
zelfstandig naamwoordmannelijk: de auto, meervoud: auto's
Een voertuig met vier wielen en een motor om mensen te vervoeren.
/ˈaʊto/
Voorbeelden
Mäin Auto ass futti.
Mijn auto is kapot.
Mir fueren mam Auto.
We gaan met de auto.
Synoniemen
AI-gegenereerd