1
zelfstandig naamwoordonzijdig: het jaar
Een periode van twaalf maanden; de tijd die de aarde nodig heeft om één keer om de zon te draaien.
/joːɐ̯/
Voorbeelden
Ech si véierzeg Joer al.
Ik ben veertig jaar oud.
Dëst Joer war schéin.
Dit jaar was mooi.
AI-gegenereerd