1
zelfstandig naamwoordmannelijk: de man, meervoud: mannen
een volwassen man; ook een echtgenoot.
/man/
Voorbeelden
En ale Mann souz op der Bänk.
Een oude man zat op de bank.
Hire Mann schafft am Spidol.
Haar man werkt in het ziekenhuis.
Antoniemen
AI-gegenereerd