1
zelfstandig naamwoordvrouwelijk: de stad, meervoud: steden
Een grote plaats met veel mensen, huizen en winkels; vaak bedoeld: de stad Luxemburg.
/ʃtaːt/
Voorbeelden
Ech ginn an d'Stad akafen.
Ik ga de stad in om te winkelen.
D'Stad ass haut voll.
De stad is vandaag druk.
AI-gegenereerd