1
zelfstandig naamwoord[C]
een bon; een geprinte of elektronische bevestiging van een aankoop of betaling
'čekis
Uitspraak
Etymologie
Borrowed from English cheque/check, ultimately from Old French eschec ‘check’ in chess.
Voorbeelden
Parduotuvėje gavau čekį už pirkinius.
'Parduotuvėje 'gavau 'čekį už 'pirkinius.
In de winkel kreeg ik een bon voor de aankopen.
Neišmesk čekio, jei norėsi grąžinti prekę.
'Neišmesk 'čekio, jei 'norėsi 'grąžinti 'prekę.
Gooi de bon niet weg als je het artikel wilt terugbrengen.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd