1
zelfstandig naamwoord[C, U]; masculine
Een plotseling, sterk gevoel van verbazing, angst, ontzetting of ongeloof veroorzaakt door onverwacht nieuws of een gebeurtenis; schok.
šókas
Uitspraak
Etymologie
Borrowed as an international word, ultimately from French choc meaning “collision, shock.”
Voorbeelden
Žinia apie netektį buvo tikras šokas.
Žínia apié netéktį bùvo tíkras šókas.
Het nieuws over het verlies was een echte schok.
Po avarijos jį ištiko šokas.
Pó avãrijos jį ištíko šókas.
Na het ongeluk was hij in shock.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd