1
zelfstandig naamwoord[U]
Onverschilligheid; gebrek aan interesse, bezorgdheid, medeleven of emotionele betrokkenheid.
abejin'gumas
Uitspraak
Etymologie
Van het Litouwse abejingas „onverschillig” + het zelfstandig-naamwoordvormende achtervoegsel -umas, dat abstracte zelfstandige naamwoorden vormt die een kwaliteit of toestand aanduiden.
Voorbeelden
Jo abejingumas skaudino draugus.
Jo abejin'gumas 'skaudino 'draugus.
Zijn onverschilligheid deed zijn vrienden pijn.
Visuomenės abejingumas problemai kelia nerimą.
Visuomenės abejin'gumas prob'lemai 'kelia 'nerimą.
De onverschilligheid van de samenleving voor het probleem baart zorgen.
Abejingumas kitų skausmui rodo empatijos stoką.
Abejin'gumas 'kitų 'skausmui 'rodo em'patijos 'stoką.
Onverschilligheid tegenover het lijden van anderen wijst op een gebrek aan empathie.
Collocaties
AI-gegenereerd