1
zelfstandig naamwoordmeervoud only; [U]
een periode zonder werk, school of gewone verplichtingen om uit te rusten of te reizen; vakantie, verlof
a'tostogos
Uitspraak
Etymologie
Uit het Litouwse atostoga, verwant aan het idee van stoppen of uitrusten; in het moderne Litouws wordt het bijna uitsluitend in het meervoud gebruikt.
Voorbeelden
Vasarą mūsų atostogos truko dvi savaites.
'Vasarą 'mūsų a'tostogos 'truko 'dvi sa'vaites.
In de zomer duurde onze vakantie twee weken.
Ji išėjo atostogų nuo pirmadienio.
'Ji 'išėjo a'tostogų nuo pirmadi'enio.
Ze ging vanaf maandag met verlof.
Per atostogas keliausime prie jūros.
Per a'tostogas ke'liausime prie 'jūros.
Tijdens de vakantie gaan we naar de kust.
Collocaties
vasaros atostogos
žiemos atostogos
eiti atostogų
išeiti atostogų
mokamos atostogos
AI-gegenereerd