1
zelfstandig naamwoord[U]
Bagage; de tassen, koffers en andere bezittingen die een reiziger meeneemt.
'bagažas
Uitspraak
Etymologie
Borrowed from French bagage, probably through Polish bagaż or Russian багаж.
Voorbeelden
Mano bagažas liko oro uoste.
'Mano 'bagažas 'liko 'oro 'uoste.
Mijn bagage is op het vliegveld achtergebleven.
Keleiviai atsiėmė bagažą po skrydžio.
'Keleiviai atsi'ėmė 'bagažą po 'skrydžio.
De passagiers haalden hun bagage na de vlucht op.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd