1
zelfstandig naamwoord[C]
Een apparaat dat chemische energie opslaat en elektrische stroom levert; een batterij.
bate'rija
Uitspraak
Etymologie
Ontleend via Europese talen aan het Franse batterie, uiteindelijk van battre ‘slaan, slaan’; de elektrische betekenis ontwikkelde zich vanuit het idee van een reeks of serie verbonden eenheden.
Voorbeelden
Telefono baterija išsikrovė per dieną.
Tele'fono bate'rija išsi'krovė per 'dieną.
De telefoonaccu was binnen een dag leeg.
Reikia pakeisti laikrodžio bateriją.
'Reikia pa'keisti laik'rodžio bate'riją.
De horlogebatterij moet worden vervangen.
Collocaties
AI-gegenereerd