1
zelfstandig naamwoord[C]
Iemand met wie men samenwerkt; een collega of werkgenoot.
bendra'darbis
Uitspraak
Etymologie
Formed from Lithuanian bendras “common, shared” and darbas “work,” with the noun-forming ending -is.
Voorbeelden
Mano bendradarbis padėjo man parengti ataskaitą.
Mano bendra'darbis pa'dėjo man pa'rengti a'taskaitą.
Mijn collega hielp me het rapport voor te bereiden.
Mūsų naujas bendradarbis greitai pritapo prie komandos.
Mūsų 'naujas bendra'darbis 'greitai pri'tapo prie ko'mandos.
Onze nieuwe collega voelde zich snel thuis in het team.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd