1
zelfstandig naamwoord[C, U]
de handeling van weggaan, naar buiten gaan of vertrekken uit een plaats, groep, baan of situatie
iš'ėjimas
Uitspraak
Etymologie
From Lithuanian išeiti “to go out, to leave” + the nominal suffix -imas.
Voorbeelden
Po ilgo pokalbio jo išėjimas nustebino komandą.
Po 'ilgo po'kalbio jo iš'ėjimas nustebino ko'mandą.
Na het lange gesprek verraste zijn vertrek het team.
Išėjimas iš darbo buvo sunkus sprendimas.
Iš'ėjimas iš 'darbo buvo 'sunkus spren'dimas.
Het verlaten van de baan was een moeilijke beslissing.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd