1
zelfstandig naamwoord[U]
Trouw of loyaliteit tegenover een persoon, groep, belofte, plicht of zaak.
ištikimýbė
Uitspraak
Etymologie
Derived from Lithuanian ištikimas “faithful, loyal” with the abstract-noun suffix -ybė.
Voorbeelden
Jo ištikimybė draugams niekada nekėlė abejonių.
Jó ištikimýbė draugáms niekadà nekėlė abejónių.
Zijn trouw aan zijn vrienden stond nooit ter discussie.
Kareiviai prisiekė ištikimybę valstybei.
Kareíviai prisiekė ištikimýbę valstýbei.
De soldaten zwoeren trouw aan de staat.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd