1
zelfstandig naamwoord[C]
Een kalender: een systeem of gedrukt/digitaal overzicht dat de dagen, weken en maanden van een jaar weergeeft.
kalen'dorius
Uitspraak
Etymologie
Ontleend uiteindelijk aan het Latijnse calendarium, oorspronkelijk met de betekenis ‘kasboek’ of ‘register’, van calendae, de eerste dag van de Romeinse maand.
Voorbeelden
Ant sienos kabo naujas kalendorius.
'Ant 'sienos 'kabo 'naujas kalen'dorius.
Een nieuwe kalender hangt aan de muur.
Stalo kalendorius padeda planuoti darbus.
'Stalo kalen'dorius pa'deda pla'nuoti 'darbus.
Een bureaukalender helpt bij het plannen van taken.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd