1
werkwoord[I]
Reizen; van de ene plaats naar de andere gaan, vooral over enige afstand of voor het plezier.
ke'liauti
Uitspraak
Etymologie
Afgeleid van het Litouwse kelias „weg, pad” met het werkwoordsuffix -auti.
Voorbeelden
Mes mėgstame keliauti po Lietuvą vasarą.
Mes 'mėgstame ke'liauti po Lie'tuvą 'vasarą.
We houden ervan in de zomer door Litouwen te reizen.
Ji dažnai keliauja traukiniu į Vilnių.
Ji 'dažnai ke'liauja trau'kiniu į 'Vilnių.
Zij reist vaak met de trein naar Vilnius.
Synoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd