1
bijvoeglijk naamwoordmannelijk nominatief enkelvoud bijvoeglijk naamwoord; vrouwelijk: mandagi
beleefd, hoffelijk, blijk gevend van goede manieren en respect voor anderen
manda'gus
Uitspraak
Etymologie
Verwant aan het Litouwse mandagumas “beleefdheid” en mandagiai “beleefd”; uiteindelijk geassocieerd met het idee van correct, welgemanierd gedrag.
Voorbeelden
Jis buvo mandagus su svečiais.
Jis 'buvo manda'gus su sve'čiais.
Hij was beleefd tegen de gasten.
Mandagus darbuotojas visada pasisveikina su klientu.
Manda'gus darbuo'tojas 'visada pasisvei'kina su kli'jentu.
Een beleefde werknemer groet de klant altijd.
Net supykęs jis išliko mandagus.
Net su'pykęs jis iš'liko manda'gus.
Zelfs toen hij boos was, bleef hij beleefd.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
AI-gegenereerd