1
werkwoord[T]
Vlees, vis, groenten of ander voedsel in een gekruide vloeistof laten weken vóór het koken, om het op smaak te brengen of malser te maken.
mari'nuoti
Uitspraak
Etymologie
Ontleend als onderdeel van een internationale culinaire woordenschat; uiteindelijk verwant aan Latijn marinus, ‘van de zee’, via Romaanse en Midden- en Oost-Europese vormen met de betekenis ‘in pekel of marinade bewaren of kruiden’.
Voorbeelden
Prieš kepant mėsą reikia marinuoti per naktį.
'Prieš 'kepant 'mėsą 'reikia mari'nuoti per 'naktį.
Vóór het bakken moet het vlees een nacht worden gemarineerd.
Vištieną geriausia marinuoti su citrinų sultimis ir česnaku.
Viš'tieną ge'riausia mari'nuoti su cit'rinų 'sultimis ir čes'naku.
Kip marineer je het best met citroensap en knoflook.
Collocaties
AI-gegenereerd