1
werkwoord[T]; gewoonlijk gebruikt met een zelfstandig naamwoord in de genitief of met een infinitief
eerste persoon enkelvoud tegenwoordige tijd van norėti: ik wil, ik wens, ik zou graag willen
nóriu
Uitspraak
Etymologie
Vervoegde vorm van Litouws norėti “willen, wensen”, van de Baltische werkwoordstam met de betekenis “verlangen, willen”.
Voorbeelden
Noriu kavos.
Nóriu kavos.
Ik wil koffie.
Aš noriu namo.
Aš nóriu namo.
Ik wil naar huis.
Noriu išmokti lietuviškai.
Nóriu išmokti lietuviškai.
Ik wil Litouws leren.
Synoniemen
Antoniemen
Collocaties
noriu valgyti
noriu miego
noriu kavos
noriu žinoti
noriu pasakyti
AI-gegenereerd